gruzelementenDe rector gebaart dat we aan de overkant van de tafel kunnen plaatsnemen. De enorme ovale tafel biedt geen ruimte om ons strategisch zo op te stellen dat we niet tegenover elkaar komen te zitten. Ik kijk rond in de klassiek ingerichte directiekamer. Het is pas vier uur op deze mooie meidag, maar binnen lijkt het bijna avond. Het licht valt spaarzaam door de immens hoge ramen. De uitbundig bloeiende kastanjeboom die dicht tegen de gevel staat lijkt de boosdoener. De rector, teamleider en mentor gaan naast elkaar zitten. ‘Fijn dat we met zijn allen om tafel kunnen en dat u er ook bij bent’, zeg ik terwijl de bibber in mijn stem verraad hoe spannend het voor me is. Als ik de rector vriendelijk toeknik, zie ik de mentor wegkijken Ze lijkt geëmotioneerd, ik kan me voorstellen dat ook zij een pittige week achter de rug heeft. ‘We hebben natuurlijk al wel contact gehad met de mentor en begrijpen dat jullie eerst zorgvuldig wilden onderzoeken wat er precies gebeurd is en wat passende stappen zijn. Onze dochter snapt daar overigens niets van, die wil gewoon dat de jongens straf krijgen, maar we hebben haar uitgelegd dat we elkaar eerst moesten zien om samen te overleggen.’

‘Ik ben enorm geschrokken van het hele verhaal’, neemt de rector het woord ‘bij mijn weten is zoiets is nog nooit voorgekomen op school.’ Ik voel mijn schouders zakken, gelukkig, ze zien de ernst in van de situatie, denk ik opgelucht. ‘Ik had hier tien, twaalf enorm boze jongetjes aan mijn bureau die me verhalen vertelden waar de honden geen brood van lusten. De taal die uw dochter uitslaat, ik zal het hier niet herhalen, en de bedreigingen die zij uit, zijn werkelijk ongekend. Ik kan me voorstellen de leerlingen zich onveilig voelen, al is het door hen gekozen actiemiddel natuurlijk ongepast.’ Verbijsterd hoor ik haar aan. Ik tast in mijn hoofd naar de betekenis van haar woorden die haaks staan op wat er gebeurd is. Ik krijg het niet meteen aan elkaar gebreid en stamel ‘Heeft u ook mijn dochter gesproken?’ ‘Nee, het is ook niet mijn taak om met allerlei individuele leerlingen gesprekjes te voeren. In het geval van uw dochter moet ik zeggen dat de mentor daar al ruimschoots meer tijd in heeft gestoken dan waar ze voor betaald wordt – waar we haar erg dankbaar voor zijn, maar we zien ook dat het een zware belasting is voor mevrouw van Druten. Het begint op deze manier ondoenlijk te worden om uw dochter te handhaven want ondanks alle middelen die zijn ingezet is het klassenklimaat bijzonder onveilig.’ ‘Ja, we zijn handelingsverlegen’, voegt de teamleider er plompverloren aan toe terwijl hij pathetisch zijn handen heft. Mevrouw van Druten staart ondertussen zwijgend naar beneden.

‘Ze kan wel erg boos overkomen, maar daar steekt niet zoveel achter. Het zijn loze woorden. Meestal is boos de buitenkant van bang. Ze heeft veel herhaling nodig om gewenst gedrag in te slijpen, dat is een kwestie van volhouden. Omdat ze van binnenuit niet aanvoelt hoe het hoort, kopieert ze het meest duidelijke gedrag dat ze om zich heen ziet, dat van de luidruchtige jongens dus. We hebben het er al vaak over gehad dat die jongens erg bezig zijn met hiërarchie bepalen en dat zij dat steeds doorkruist. Dat is natuurlijk voor alle partijen frustrerend. De aandacht die ze daarmee krijgt, ook al is dat negatieve aandacht, ervaart zij echter als een teken dat ze erbij hoort’, hoor ik mijn man een poging doen om uitleg te geven. Ik zoek zijn blik en tel mijn knopen. Verdedigen heeft helemaal geen zin bij een rector die overduidelijk haar oordeel al geveld heeft. Ik dacht dat we samen, in goed overleg, zoals we het hele jaar al eensgezind om tafel zitten, gingen bedenken wat wijsheid was. Hoe om te gaan met deze vreselijke situatie. Maar zo’n gesprek is het helemaal niet.

Machteloze woede welt in mij op. Er rolt een traan over mijn wang. Ik wil ze door elkaar schudden, schreeuwen dat het lafbekken zijn die voor de gemakkelijkste weg kiezen… ‘Niet doen!’, spreek ik mezelf streng toe, ‘dat helpt ons niet, dan komen we nergens meer.’ Met dikke keel slik ik moeizaam mijn boze woorden in en veeg mijn tranen weg. Ik recht mijn rug en ga op het puntje van mijn stoel zitten. Ik kijk de tafel rond, zet mijn werkpet op en analyseer de situatie. Mevrouw van Druten is overruled, de teamleider is op de hand van de rector en de rector wil zo snel mogelijk van dit lastige probleem af. De woorden die ze gebruiken, veiligheid, handelingsverlegen, dat is dossiertaal, dat klinkt niet goed. Wat willen ze? Wat is hun agenda?

‘Ik herken mijn meisje niet zoals u haar beschrijft. Ik begrijp dat u haar nog nooit ontmoet heeft, dus de vraag is of u een goed beeld hebt. Ik ben de eerste om te onderkennen dat het geen gemakkelijke dame is. Daar zijn we van meet af aan eerlijk over geweest en daarom zitten we ook elke zes weken samen om tafel en is er een rugzakje. Eerlijk gezegd overvalt de toon van dit gesprek me (alle stoerheid waarmee ik deze zinnen begon verdwijnt, mijn stem breekt en de tranen vloeien weer), ik voel me in de verdediging gedrukt en dat wil ik niet. Zeg eens eerlijk, zonder mooipraterij en verhullende woorden; wat willen jullie nu zeggen? Waar gaat dit gesprek over?’ Koud kijkt de rector me aan, ze laat zich niet verleiden, heeft stevig de touwtjes in handen als ze zegt: ‘We hebben zorgen over de ontstane situatie en heel eerlijk gezegd denk ik dat we de veiligheid van uw kind op dit moment niet kunnen garanderen op school -‘ ‘En we zijn handelingsverlegen’ onderbreekt de teamleider haar. ‘Duidelijk zegt mijn man, dan houden we haar zolang thuis.’ Verschrikt kijk ik opzij, dat lijkt me geen goed idee, dan ligt het probleem niet meer op het bord van school maar bij ons. En bovendien, veiligheid-mijn-neus. ‘Hoe bedoelt u dat u haar veiligheid niet kunt garanderen?’ vraag ik quasi naïef. ‘Nou, niet alleen haar veiligheid maar ook die van de klas’ zegt de rector en kijkt er erg serieus bij. ‘Ik vind het vaag wat u zegt. Loopt mijn dochter met messen zwaaiend door de gangen? Heeft ze de jongens geslagen? Gooit ze het meubilair door het lokaal? Volgens mij niet. Zolang dat niet aan de orde is komt ze gewoon naar school. Maar met uw gepraat over veiligheid en handelingsverlegenheid lijkt u haar liever van school te sturen, klopt dat? Is dat wat u eigenlijk zegt?’ kies ik de aanval. Ik heb er schoon genoeg van om de hete brei heen te draaien. Tijd voor wat duidelijkheid. Met veel omhaal van woorden komt het erop neer dat ze ons ‘adviseren om te zien naar een passender schoolplaats’ maar als ik vraag waar dat dan zou moeten zijn komt er niks concreets uit. De rector kijkt op haar horloge. Ze heeft nog een vergadering. Of we het zo kunnen afronden. Ik zeg om onze welwillendheid te tonen toe dat we – onder protest – zullen onderzoeken of een andere school passender zou kunnen zijn en school informeert op haar beurt of plaatsing in een auti-klas van een collegaschool een optie is.

De teamleider loopt zwijgend mee om ons uit te laten. De voordeur zit al op slot. Als hij wegloopt om de sleutel te halen staan we als makke schapen te wachten terwijl het van binnen gist en broeit en borrelt. Buiten blijkt ook het hek inmiddels op slot en kunnen we het terrein niet af. Moeten we wéér terug naar binnen. Zou het een teken zijn? Onhandig giechelend bellen we aan. ‘Hallo, daar zijn we weer, we willen graag weg.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *