Ik loop door de stad, op weg naar mijn koor. De donderdagavond heb ik heilig verklaard, wat er ook gebeurt, die avond ga ik zingen. Maar vandaag loop ik met lood in mijn schoenen. Het gesprek met de kinderpsychiater laat me niet los. Eigenlijk was mijn vertrek zojuist één groot pleidooi voor haar suggestie om met medicijnen te starten. Mijn oudste klampte zich huilend aan me vast toen ik wilde gaan en mijn map en standaard inpakte. ‘Je mag niet weggaan. Ik kan je niet missen. Ik wil bij jou zijn. Ga nou niet weg. Toe nou mama, blijf nou, één keertje maar.’ Bruut heb ik mij losgescheurd, haar een zoen op het hoofd gegeven en gezegd dat ook papa goed voor haar kan zorgen. ‘Dag lieve meis, slaap lekker straks, tot morgen!’ In een mist van tranen ben ik naar de auto gelopen. Heb mij vermand, de tranen weggepoetst en ben op weg gegaan naar de stad.

De feestverlichting kleurt de straten goudgeel, luidkeels lachende studenten scheren op hun fietsen rakelings langs me, in de etalages is het Sint en Piet wat de klok slaat – het doet potsierlijk aan. Verdoofd loop ik van de parkeerplaats naar de repetitieruimte. Stap voor stap, op de automatische piloot. Want ik moet gaan zingen. O nee, ik wíl gaan zingen. Medicijnen voor mijn meisje, ik weet het niet. Ik voel mijn wangen plots koud worden, er blijken tranen overheen te stromen. Ik lijk wel lek, wat is dit nou? Toe maar, laat maar even gaan dan, het moet er blijkbaar uit. Midden op straat loop ik hartverscheurend te huilen. Laat ze maar kijken, wat kan mij het schelen. Ik sluit me af en voel hoe alles schokt en krampt in mijn romp. Wat is dat nou? Gaat dat over die medicijnen? En als ze nou diabetes had, dan gaf je het haar toch zonder mankeren, wat is het grote verschil? Ik kom er niet bij. Ik besluit het even op te bergen en grabbel mezelf bij elkaar. Precies als ik bij de voordeur van de repetitieruimte ben heb ik mijn adem weer onder controle.

We zingen in. Meestal ben ik na tien minuten de buitenwereld vergeten en bestaat alleen de muziek nog. Vandaag niet. Telkens dringen flarden van buiten tot me door. Ik duw ze weg, concentreer me op de noten, luister aandachtig naar de dirigent. Hij wil dat we zelfstandiger gaan zingen en zet ons door elkaar. Weg is mijn houvast, weg het comfortabel meezingen met de buurvrouw. Dat is natuurlijk ook wat hij wil maar vandaag heb ik daar niet zoveel moed voor. Ik wil geborgen zijn en even meedeinen in plaats van alsmaar groot en sterk en dapper zijn. Er rolt alweer een traan over mijn wang. Ik loop de repetitie uit om verder niemand tot last te zijn. In de schaars verlichte hal laat ik mijn tranen de vrije loop. Het stopt niet meer. Ik huil en ik huil en weet bij god niet meer hoe ik zou kunnen stoppen. Telkens als ik denk dat het klaar is, begint het opnieuw. ‘Ik kan het niet alleen’, ‘Ik ben niet genoeg’, ‘Hier houdt het op’ galmt het door mijn hoofd. En beetje bij beetje begrijp ik dat dáár de pijn zit. Dat mama-zijn niet toereikend is om mijn kind te helpen en dat ik doodsbang ben om haar over te leveren aan anderen, om te beginnen aan de medicijnen. Maar het moet, want met alleen mijn hulp gaat ze het niet redden. En ik dus ook niet.

Er zijn 11 reacties

  1. schakelmoeder

    Ik vrees dat ook wij deze kant op moeten. Heftig hè? Zo onnatuurlijk, pillen en een kind. Tegelijk ook een laatste redmiddel, het moet wel houdbaar blijven, ook voor je jongste, voor jullie en voor haar.. De tweestrijd rukt je bijna uit elkaar. En wat dan? Een pil, dan twee en dan? 

    Welk gedrag maakt dat jullie dit nu overwegen? 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *