De ouderbegeleider vraagt ons of we van tevoren willen mailen wat we verwachten van de gesprekken met hem. Helemaal nog niet zo eenvoudig om dat zwart op wit te krijgen. Aan de ene kant is het simpel; iemand die naast ons staat, die ons en onze dochter (s?) leert kennen zodat we, wanneer dat nodig is, een deskundig mens hebben waarmee we kunnen sparren over wat wijsheid is. Maar dan ben ik in 3 regels klaar en dat is vast niet de bedoeling. Wat dan wel de bedoeling is, daar kom ik niet goed uit. Hoe leg ik uit wat ik bedoel met ‘iemand die naast ons staat’? Hoe zeg ik op een nette manier dat ik geen behoefte heb aan tips en adviezen omdat ik die zelf wel in een boekje kan lezen? Hoe voorkom ik dat ik mijn ideeën over ouderbegeleiding, die ik beroepsmatig ontwikkeld heb, aan hem opleg en hij zich bekeken en beoordeeld voelt. Want – en dat is misschien wel de kern van wat ik verwacht – ik wil máma zijn bij de ouderbegeleider en niet een collega. Misschien wil ik dat wel komen oefenen tijdens de ouderbegeleiding; hoe ik weer mama kan zijn van mijn kind, in plaats van hulpverlener.

Terwijl ik zo zit te worstelen op mijn tekst, tikt mijn man met gemak een a4-tje vol. Hij, die altijd moet ploeteren op hoe zijn gedachten te vangen in woorden, hij rammelt het zo uit zijn toetsenbord. Verbijsterd zie ik het aan. En wat hij schrijft biedt meteen ook stof tot nadenken en lange gesprekken. Over ons. Over onze dochter. Over onze relatie tot haar, tot elkaar. Over haar zusje. Het nut van ouderbegeleiding bewijst zich onmiddellijk. Het speelt zich helemaal niet af tussen die 4 muren van de spreekkamer. Die gesprekken zijn slechts de katalysator om wat onderhuids broedt en gist naar boven te brengen. Met het schaamrood op de kaken moet ik bekennen dat ik nooit geweten heb dat het zó intensief was. Dat neem ik stiekem dan toch mee mijn beroepspraktijk in (en dan laat ik de professionele blik nu verder los, beloofd!).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *