‘Mama, ik heb gezien dat we een leuke buurjongen hebben’ giechelt ze samenzweerderig. O jee, een nieuwe fase breekt aan, ik ben benieuwd wat ons nu weer allemaal boven het hoofd hangt. ‘Nou, ga dan eens naar buiten, dan kom je hem misschien tegen’ opper ik. Als dit een manier is om haar naar buiten te krijgen, vooruit dan maar. We zitten deze kerstvakantie in een huisje op een klein bungalowpark en ze is al dagenlang met geen stok de deur uit te krijgen. Maar ze trapt er niet in en blijft zitten waar ze zit. Dus wij gaan ook door met wat we doen.

De kerstvakantie is onze spelletjes- en leesvakantie. Verboden voor laptops, nintendo’s, ipod-touch’s en wat dies meer zij. Ingesteld door de kinderen die hun ouders ook wel eens zonder laptop wilden zien maar nu we een paar jaar verder zijn, is het voor iedereen een even grote straf. Of zegen. Hier vieren we ook oud & nieuw. Ver weg van alle geknal dat onze oudste een gruwel is. Al jaren beklimmen we ’s nachts in het pikkedonker de trap van het hoogste duin. We zien dat het twaalf uur is als in de omliggende dorpen kleurrijke pijlen de lucht in worden geschoten en we het gedempte geknetter horen van Chinese duizendklappers. Wie durft mag zijn nieuwjaarswens met zijn eigen vuurpijl vanaf die hoge duin het nieuwe jaar insturen. Elk jaar weer een belevenis. Op een afstandje en toch erbij. Och, ik weet nog hoe we tobden die eerste jaren dat we van niks wisten. Toen ze klein was zag ik wel dat ze het te spannend vond en keken we naar het vuurwerk vanachter het raam. Maar zelfs dat was vaak teveel. Met een koptelefoon op tegen de herrie keek ze één minuutje en wilde dan de gordijnen weer dicht. De hele week had ze dan al nauwelijks geslapen omdat ze bij iedere knal verschrikt beneden stond en niet alleen durfde zijn. Die keer dat ik haar, vierenhalf jaar groot, op de arm mee naar buiten nam om de buren gelukkkig nieuwjaar te wensen vergeet ik niet snel. Ze klemde zich als een aapje aan me vast en wrong haar koppie onder mijn oksel. Was onbereikbaar en gromde naar iedereen die te dichtbij kwam. Lekker begin van het nieuwe jaar in onze nieuwe buurt waar we net waren komen wonen. Ik schaamde me dood. Ik vond het natuurlijk ook zielig voor dat bange meisje. Dus het jaar daarop kozen we eieren voor ons geld en zochten een rustige plek om onze eigen oudjaarstradities te ontwikkelen. De tijd vliegt, dat is ook alweer zeven jaar geleden.

Als ze ‘Niet wéér naar dat huisje in Zeeland hè’ verzucht als we kerstvakantieplannen maken ben ik eerst verbaasd. Dat is spannend, dat is helemaal nieuw. Het voelt kwetsbaar om haar daarin te volgen want we hebben samen zo’n goeie modus gevonden voor die kerstvakantie. Zou het lukken om die vertrouwde gezelligheid ook ergens anders te creëren? Ik vrees dat we dan vooral bezig zijn met angsten bezweren en routines ontwikkelen om veiligheid te bieden. Aan de andere kant. Ze heeft dit jaar voor de tweede keer medicijnen tegen winterdepressie. Die medicijnen hebben als plezierig bij-effect dat ze een stuk toegankelijker is, zich meer door ons laat helpen. Misschien gaat het wel lukken. ‘Het is ook een kans’ gaat er door mijn hoofd. Maar een kans voor wie? Voor mij, voor ons, om ook ergens anders naar toe te kunnen gaan? Of een kans voor haar, om in beweging te komen en te onderzoeken of ze zich staande houdt? Trekken we het als dat moeizamer blijkt dan we hoopten? Dat betekent dat we ons moeten instellen op een vakantie die zwaar kan tegenvallen. Maar als het lukt is dat een geweldige nieuwe mijlpaal. We besluiten het erop te wagen. Het is even zoeken maar het lukt om een andere plek te vinden, buiten de bebouwde kom, kleinschalig, redelijke kans op vuurwerk-rust. Het is geen topweek maar het gaat ook niet heel slecht. We trekken de dagschema’s uit de kast en halen de teugels aan en zo komen we een eind. We hebben geleerd.

Oudjaarsmiddag kopen we samen in het dorp onze pijlen en als we het terrein oprijden zegt ze: ‘Ik denk dat ik die buurjongen vannacht verkering vraag.’ Omdat ze nog altijd geen woord met hem gewisseld heeft liggen we in een deuk, maar ze is bloedserieus. ‘Hij ziet er leuk uit, maar hoe weet nou of hij ook leuk is?’ vraag ik haar. Dat blijkt helemaal niet belangrijk: ‘Dat weet ik ook niet, maar 1 januari lijkt me zo’n mooie datum om voor het eerst verkering te krijgen.’ Klokslag twaalf uur stelen we nog nét een zoen en dan rent ze naar buiten, naar de buurjongen. Haar zus moet mee, dat wel. En dan geschiedt het wonder. Nee, ze krijgt geen verkering. Maar voor het eerst in twaalf jaar hoeft ze ons niet vast te houden als buiten het vuurwerk wordt afgestoken. Ze flirt en ze giechelt, ze steekt zelfs met veel poeha een lont in brand. Opgetogen zie ik het aan, ik ben blij en ook moe en in de war. Wat gebeurt er toch allemaal met mijn meisje. Wat verrast ze me toch telkens weer. In het donker ziet niemand mijn tranen. Dit was een weekje ploeteren dubbel en dwars waard. Kom maar op nieuw jaar!

Er zijn 4 reacties

  1. Anneke

    Dag mevrouw,
    Ik heb uw boek ‘IJskastmoeder’ nu pas gelezen en het heeft me tot tranen toe ontroerd… zo breekbaar en echt! Over leven met asperger weet ik bijna niets, maar wat ik wel weet is dat u een prachtmama bent van twee ongelooflijk mooie kinderen!
    Ik ga de verhalen over uw gezin zeker nog herlezen.
    Anneke

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *