‘Mama, hoe komt het dat je helemaal warm kan worden als een jongen naar je knipoogt?’ Wat een heerlijke vraag… Mijn jongste is bloedserieus en ik begrijp wel waarom. Ze zit sinds kort op een andere school en is helemaal hoteldebotel van een van haar nieuwe klasgenoten. ‘Nou moet je niet overdrijven, dat gebeurt alleen in sprookjes, in het echt komt dat helemaal niet voor. Je mag niet jokken!’ dondert de oudste er overheen. ‘Nou-hou, ik jok niet! Het wél echt waar! Als Quinten naar me knipoogt dan voel ik me echt helemaal warm worden, dat lieg ik niet.’ ‘Ach ik geloof er niks van. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Volgens mij kan dat helemaal niet.’ ‘Als je zus dat zo voelt, dan is het waar’ snoer ik haar behoedzaam de mond.
We zitten in de auto onderweg naar school. Terwijl ik met de jongste, die gezellig voorin zit, een boom opzet over de wonderen van het leven en de liefde in het bijzonder mokt de oudste nog een tijdje door op de achterbank. Dan zegt ze plots: ‘En trouwens, hoe weet je dat ie knipoogt? Misschien had ie gewoon iets in zijn oog en moest ie daarom knipperen!’ Haar triomfantelijke blik spreekt boekdelen, vertel haar iets over de liefde, ze weet wel beter.
“Zullen we samen slapen?”, vraagt mijn oudste aan haar zus. “In mijn bed”, zegt ze er meteen achteraan. ‘Dat wil ik wel, maar waarom altijd in jouw bed? Waarom niet een keer bij mij? Dat kan toch ook wel een keer?’ Goed zo, fluister ik in gedachten mijn jongste toe, en ik ben blij dat ze een keertje voor zichzelf op komt. “Nou dan doen we het niet”, is het botte antwoord. Bam, deur dicht, onderhandelingsruimte: nul.
Als ik ze ‘s avonds naar bed breng, met veel gekrakeel en geruzie over wie er nu niet met wie wil samenslapen en waarom, houd ik de jongste zo goed mogelijk uit de wind. Ze houdt stand. Maar als ik haar kom instoppen ligt ze te huilen. ‘Dat is toch niet eerlijk? Ik doe altijd wat zij wil. Ik mag toch ook wel eens iets doen wat ík wil?’ En zo is het, ik ben trots op mijn jongste. Voor het eerst in lange tijd is ze niet gezwicht voor de druk die haar grote zus op haar uitoefent. Mijn troostende en prijzende woorden doen haar verzuchten: ‘Ik wou liever dat ik niet zo’n zus had.’
Beneden installeer ik me op de bank met een lekker kopje koffie en sla de krant open. Trippeltrippeltrap hoor ik boven op de overloop de voetjes gaan. Pie-iep, kraakt de deur van de oudste. Ik sluit mijn oren en weet al wat ik aantref als ik straks ga slapen; twee meisjes in het bed van mijn oudste. Het zij zo…