‘Religie zou haar wel eens kunnen helpen’’ zegt de kinderpsychiater. Versta ik haar nu goed? Zegt ze echt ‘religie’? Ik vraag hoe we onze dochter kunnen helpen minder angstig te zijn voor de stemmen in haar hoofd en de dokter schrijft geloof voor? ‘Ik weet niet of jullie daar iets mee kunnen?’ Mijn gezicht spreekt blijkbaar boekdelen. ‘Dit soort kinderen is gebaat bij een gevoel van vertrouwen en als ze zich gesteund voelen door een hogere macht kan dat veel rust geven. Dat wil nog niet zeggen dat je er zelf voor naar de kerk moet gaan, al zal je kind gevoelig zijn voor een respectvolle benadering. Maar er zijn ook speciale kinderdiensten waar ze aan deel zou kunnen nemen.’ Ze zet nog even door ondanks mijn sceptische blik. Ik sta heus open voor een eigenzinnige benadering maar hier weet ik even geen raad mee. Mijn kind vertrouwt haar eigen ouders niet eens waarom zou ze dat wel met een god gaan doen?
Ik ben zo van mijn stuk dat ik niet meteen een gepaste reactie paraat heb zonder de psychiater te schofferen. ‘Ik weet het niet hoor’ stamel ik omzichtig ‘voor hetzelfde geld schiet ze er monomaan in door en wordt ze een godsdienstwaanzinnige.’ ‘Tja, dat komt ook wel eens voor’, reageert de dokter serieus, ‘maar gezien jullie thuissituatie ben ik daar eerlijk gezegd niet zo bang voor.’ Blijkbaar schat ze in dat we voldoende tegenwicht bieden, hahaha, ik zou graag hardop een potje gaan zitten lachen. Of huilen. Wat me het meest nader staat weet ik opeens niet meer. ‘Ik denk niet dat het zo bij ons past’, zeg ik toch maar dapper. Of we er thuis toch nog ‘s over willen denken, zegt ze. Met lege handen verlaat ik de spreekkamer.
Een week lang ben ik boos. Ik schrijf brieven in mijn hoofd, oefen telefoontjes als ik in bed lig, componeer mailtjes op de fiets en dan, plotseling, zonder dat ik één van mijn voornemens heb uitgevoerd wordt het me helder; het is tijd om hier weg te gaan. Het was een veilige plek om te wennen aan het idee dat onze dochter niet volgens de boekjes grootgroeit. Er is warm en liefdevol gekeken en meegedacht en we hebben de kans gekregen om onze eigen weg te zoeken. Maar nu is het tijd om échte hulp in te schakelen. Geen halfzachte maatregelen meer. Ik wil het niet langer allemaal zelf bedenken en uitvinden. Ik wil meer moeder en minder therapeut worden. Ik wil mensen aan mijn zij die zeggen of mijn zorgen terecht zijn of niet. Die mijn kennis serieus nemen en er hun eigen kennis en ervaring aan toevoegen. Die mij kunnen gidsen als we weer eens in een oerwoud terecht komen waar ik niet thuis ben.
Ik pak de telefoon en bel de autismespecialisten van het dichtstbijzijnde academische ziekenhuis. Ik ben niet langer bang voor ze. Ik wil eindelijk wel eens tegen iemand aanleunen. Of misschien beter: Eindelijk durf ik op iemand te gaan leunen.