
“Maar mam, ik wil ook zo graag een echte hartsvriendin.” Het verdriet komt uit haar tenen. Ik lig naast haar op bed en krijg de brok in mijn keel niet weggeslikt. Ik luister naar haar hartstochtelijke gesnik, zoek naar woorden die er niet zijn. Voorzichtig leg ik een arm om haar heen in de hoop dat die mag blijven liggen. Dat mag. Ze kruipt tegen me aan. Ik hou haar vast en hoop dat mijn warmte haar kan troosten.
Negen is ze nu en de kinderen pikken het niet meer als ze in de ene pauze met een snauw en een grauw worden weggestuurd en ze in de volgende pauze worden geacht mee te doen aan een spel met de regels die mijn meisje heeft bedacht. Bij kleuters kom je daar misschien mee weg maar die tijd is nu echt voorbij. Het liefst speelt ze met de jongens, dat is duidelijker dan dat subtiele meisjesgedoe. Maar bij de jongens hoort ze er niet echt bij, want hé, ze is wel natuurlijk wel een meisje. Dat ze de ene keer wél en dan de volgende keer weer niet mee mag doen bij de meiden irriteert haar mateloos. Ze begrijpt er niets van en de onvoorspelbaarheid maakt haar onzeker. En dus boos. En met boos kom je niet erg ver in vriendschap. Al helemaal niet bij meisjes.
Ze schrijft de meisjes af, “daar heb je toch niks aan” zegt ze. Maar het werkt niet. De jongens worden boezemvrienden, de meisjes maken hartsvriendinnen en vormen wisselende clubjes. Over haar schouder kijk ik mee. Wat is dat een ondoorzichtige sociale jungle als je geen heg of steg weet! Nieuwe fase. We hebben weer een hoop te doen…