‘Wat is dat voor rare code op de familiekalender; 16u M-t? Oh jeminee het is alweer zover, meisjelief moet naar de tandarts. Diezelfde dag gaan ze met de klas naar de schaatsbaan om de verjaardag van de juf te vieren. Diepe zucht, dat wordt een drama. Aan de andere kant, dan is ze dus om half 3 uit, dan kunnen we theedrinken, het haar vertellen en meteen vertrekken. Dat is zo gek nog niet.’ Razendsnel tik-takken de gedachtes en overwegingen heen en weer. ‘Zó gaan we het doen.’
D-day. Eerst de jongste uit school ophalen. ‘Kom lieverd, we moeten even opschieten want je zus moet dadelijk naar de tandarts,’ “Och arme zus, dat vindt ze zo vreselijk. Weet ze het al?” Ja die jongedame leert mij ook al kennen… ‘Misschien kan jij bij papa blijven dan ga ik rustig met haar alleen naar de tandarts. Maar als dat niet kan ga je gewoon mee, hou je je dan wel een beetje gedeist?’ “Dat wil ik wel liever, bij papa blijven. Want ik vind het zo zielig voor mijn zus en dan ga ik haar troosten maar dan wordt ze zo boos en dat vind ik niet leuk.” ‘Ja schat, dat snap ik. Dat komt omdat ze het zo verschrikkelijk spannend vindt dat ze niet meer aardig kan doen.’ “Dat weet ik wel maar dan doe ik expres zo mijn best en als ik haar dan wil aaien gaat ze me slaan. Dat vind ik heel erg stom!”
We komen binnen, meisjelief zit met rode appelwangen na te genieten van haar dag op het ijs. “Oh mama, het was zo verschrikkelijk leuk. Ik heb echt heel goed geschaatst en…-” ‘Je moet zometeen naar de tandarts’ onderbreekt de jongste haar. Grote schrikogen. “Nee hè? Dat is toch niet waar hè? Hoe weet jij dat? Waarom weet ik dat niet? Is het echt waar mama, waarom heb je me dat niet eerder verteld?” ‘Ja het klopt, we gaan na het theedrinken naar de tandarts. Ik heb het vanochtend niet verteld omdat je dan vandaag nog een fijn uitje kon hebben en je geen zorgen had over de tandarts.’ Dat snapt ze wel maar ze is flink over haar toeren. Opeens wordt ze rustig. ‘Ik ga gewoon niet’, zegt ze. En dat is nieuw. Het verbaasde me altijd al dat ze ondanks alle paniek met me meeging zodra ik haar hand vastpakte maar nu heeft ze een nieuwe optie ontdekt. ‘Ik doe het niet, ik ga niet mee’, zegt ze nog een keer.
‘Kom maar, we gaan’ en ik pak haar klamme slappe hand. Ze wil geen jas aan, dan niet, vastbesloten neem ik haar bij de hand en ze loopt met mee naar de auto. “Ik ben blij dat mijn zusje niet meegaat. Die gaat dan altijd allemaal dingen tegen me zeggen en dan doet ze net alsof ze de oudste is en dat vind ik stom.” Tja. “Is het hier al? Ik blijf gewoon in de auto zitten. Ik ga niet mee.” We lopen naar binnen, ze jammert dat het er stinkt. Eerst de jas ophangen, dan poepen en daarna tanden poetsen – altijd dezelfde volgorde als in een ritueel. “Ik heb dan wel mijn tanden gepoetst en dan is dat maar voor niks want ik ga gewoon niet. Ik doe het niet.” En ze blijft stokstijf stilstaan bij de wastafel. Met een arm om haar schouders leid ik haar naar de wachtkamer waar ze in een hoekje van de bank kruipt. Zo, toch weer gelukt, nu is het aan de tandarts om haar in de stoel te krijgen.
“Mag ik haar eten geven?”, zegt ze op een dag. En natuurlijk mag dat. De poes draait om haar benen, dat doet haar dansen van ellende en toch zet ze door. Ik zie haar schutteren met het etensbakje in haar handen. Hoe krijg je dat op de grond als de poes zo om je heendraait? “Mama, haal jij de poes even weg dan kan ik het eten neerzetten.” En natuurlijk leid ik de poes even af en hoppekee daar staat het bakje op zijn plaats. Victorie!
“Kom maar Mopje, kom maar op schoot.” Zowaar, de poes springt voorzichtig op de bank en stapt op de benen van mijn oudste. Ze draait wat rond en vleit zich dan behaaglijk neer. Dochterlief aait het beest behoedzaam – alert op onverhoedse bewegingen – maar ze aait haar. “Oe, ze kijkt naar mij. Wat nou?” ‘Ik denk dat ze je zo laat zien dat ze het lekker vindt wat je doet, ga maar gewoon door met aaien.’ De poes beweegt een pootje. “Nee Mopje, nee niet doen” klinkt er meteen superstreng. Poeslief dient namelijk wel precies te blijven waar ze is.
“Nee, nee doe die deur dicht, kijk nou uit!” Het loopt tegen het eind van de middag en mijn meisje is als de dood dat de poes boven is tegen de tijd dat ze naar bed gaat dus ze begint uren van tevoren met de voorzorgsmaatregel deur-naar-boven-dichthouden. “Waar is Mopje” is dan ook de laatste vraag van de dag. En toch, zoveel progressie in die paar maanden tijd, het is meer dan ik had durven dromen.
Moppen zijn aan mijn achtjarige oudste niet besteed. De ongerijmdheid ontgaat haar, of de dubbele bodem - het blijkt nog helemaal niet eenvoudig om een mop leuk te vinden. Maar als er dan eentje is die na veel gevraag en uitgeleg wél aanslaat, dan horen we hem uiteraard uitentreuren. Daarbij brengt ze graag zelf wat aanpassingen aan in de verteltrant:
“Jantje en Nogeenkeer (da’s een naam dan hè) zitten in een boot.
Jantje valt eruit (zonder de hand van Nogeenkeer vast te houden).
Wie zit er dan nog in de boot?”
‘Nogeenkeer?’
“Ja, haha, en dan vertel je ‘m nog een keer, snap je, en nog een keer als ze er dan weer in trappen. Snap je het?”
Jaja, je blijft lachen met dat kind…
Enigzins gespannen stap ik over de drempel. Ik kan niet helpen dat ik op mijn hoede ben, deze spreekkamer blijft voelen als een examen mondeling (écht ik heb de boeken wél gelezen), ik kom er steevast centimeters kleiner binnen dan genoteerd staat in mijn paspoort. Met een gamuseerd lachje om haar mond ontvangt de kinderpsychiater me. Het half uur daarvoor heeft ze met mijn oudste gesproken over de stemmen in haar hoofd en zo te zien stemt het nabeeld haar mild. Ietwat gerustgesteld neem ik plaats. Ze vraagt wat, ik praat wat en dan klinkt toch nog plompverloren ‘Is vader het er mee eens als we de diagnose stellen?’ En dat is-ie. ‘Dan kan school daar ook een rugzakje mee aanvragen. Het hoeft niet meteen maar het kan dan wel. Ik verwijs jullie ook door naar de ouderbegeleiding hier. Daar kunnen jullie leren hoe je niet helemaal meegaat in haar angsten en enige afstand kunt bewaren.’ Nou sorry hoor, maar ik geloof dat we dat wel aardig geleerd hebben inmiddels. Aan de andere kant, ik merk telkens weer dat ik mijn vragen niet echt kwijt kan in de consulten bij de kinderpsychiater. Misschien zijn ze hier niet op zijn plaats, is dat wat ze bedoelt? Het kan wel fijn zijn om eens met andere deskundigen af te stemmen of we het goed doen, hoe het nog beter kan. Ik beloof er op te broeden.
Een paar dagen later valt de brief op de mat en staat het zwart op wit. Dat is opnieuw slikken ook al staat er niet echt iets nieuws in. Het is een officiële brief, gericht aan de huisarts (waarom eigenlijk niet aan ons?) en met een aparte bijlage voor eventuele aanvragen bij REC (dat zal wel voor het rugzakje zijn) en PGB (die kennen we inmiddels). Naast woorden staat er ook een rijtje quasi objectieve getallen en begrippen volgens de DSM IV. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Wat betekent 299.80 en waarom staat er naast Asperger ook een drielettercode OCD? Is Gaf 40 besmettelijk?
Een rondje internet verklaart het een en ander maar het wil maar niet helder worden in mijn hoofd. Weet je wat, ik vraag die TOG gewoon aan nu we dit papier hebben. Dat extraatje komt ons wel toe. Over een paar dagen zien we wel weer verder.