
Begin een torentje van niks
Doe eens lekker gek
na elke bocht ontdek je wat
Er is geen zelf
Ik ben ik, jij bent jij
ver weg is heel dichtbij
Geliefde! Ik tracht het onnoemlijke te bereiken. Wacht nog even.

Begin een torentje van niks
Doe eens lekker gek
na elke bocht ontdek je wat
Er is geen zelf
Ik ben ik, jij bent jij
ver weg is heel dichtbij
Geliefde! Ik tracht het onnoemlijke te bereiken. Wacht nog even.
“Hè au, mama kijk eens of je hier wat ziet. Het doet steeds zo’n pijn als ik mijn lip aanraak.” Als ik héél goed kijk zie ik dat het misschien een klein beetje rood is, het lijkt me nog niet echt iets om serieus te nemen. ‘O ja, ik zie het al, misschien een beetje schraal dat gaat wel weer over. Als je wil kunnen we er zachte zalf op doen’ zeg ik ter geruststelling. “Nee, nee, dat is niet nodig.” Hm, dat is een teken aan de wand. Want ze piept snel over allerlei pijntjes (ik plak pleisters zonder bloed en smeer tubes vaseline weg op onzichtbare wondjes) maar de andere kant is dat ze zich niet laat helpen als er écht iets aan de hand is. Toch even in de gaten houden dus.
‘Laat eens even kijken liefie’ zeg ik een paar dagen later, ‘wordt het nou erger bij je mond?’ “Nee, je hoeft niet te kijken” en ze draait haar hoofd weg. ‘Ah joh, kom op, ik doe niks, ik wil alleen even kijken.’ Vlug maakt ze zich uit de voeten, mijn kansen zijn verkeken. Ik zal er op een andere manier achter moeten zien te komen. De dagen erop zie ik hoe haar bovenlip korstig wordt en wanneer zich onder haar onderlip ook een korstige ring vormt kan ik het niet langer aanzien; ik wil weten wat het is en hoeveel last ze ervan heeft. Zelf laat ze er geen woord meer over los.
‘Kom we gaan even langs de apotheek, dan kan ik meteen vragen wat je daar bij je mond hebt.’ Grote schrikogen kijken me aan, ze vergeet van de weeromstuit om nog te trappen op haar fiets. “Nee mama, nee, dat wil ik niet” stamelt ze. ‘Ze kijken alleen maar en omdat ze ervoor hebben geleerd en heel veel mensen zien weten ze vaak wel of het iets is waarmee we naar de dokter moeten gaan of niet.’ Oei, ik heb het d-woord laten vallen. “Nee mama, nee!” ze krijst het uit ‘ik ga niet naar de dokter, dat hoeft niet, dat wil ik niet.’ “Schat, we gaan ook niet naar de dokter, we gaan naar de apotheek. Bij de apotheek kijken ze en ze doen verder niks. En ze kunnen zeggen welke zalf we het beste kunnen gebruiken.” Ik denk dat zeg ik ook alvast maar, dan is dat meteen geïntroduceerd. “Dat wil ik helemaal niet, dan moet ik dadelijk misschien heel veel vieze pilletjes of zalf die prikt en dat wil ik niet. Dat hoeft niet. Het is echt niet nodig.”
Het gelamenteer gaat nog een tijdje door en als een kras op een grammafoonplaat blijf ik mijn boodschap herhalen. Gestaag duw ik haar voort tot we er zijn. Ze vergeet haar fiets op slot te zetten, laat een dikke scheet als we naar binnenstappen. Acht jaar is ze, mijn kleine grote meid, en zo verschrikkelijk bang voor alles wat met dokter te maken heeft. Wat een geluk dat ze zo zelden iets heeft. Bij de apotheek vermoeden dat ze het niets ernstig is, goed vet houden en als het toch krentenbaard is zou het zich de komende dagen moeten verspreiden en moeten we even langs de huisarts. Mijn dochter breekt, ze valt tegen me aan en begint hartverscheurend te snikken. “Ik wil dat niet mama, ik wil niet naar de dokter.” De apothekersassistent kijkt ons vertederd na als we naar buiten gaan. Ik ga op een paaltje zitten en zet haar voor me neer. ‘Heb je goed geluisterd? Wat hebben ze gezegd?’ “Dat ik krentenbaard heb en naar de dokter moet” huilt ze. Ik leg het haar nog een keer uit, laat het haar herhalen en op de fiets doe ik het dunnetjes over. Zodra we thuis komen rent ze naar binnen om het hele verhaal aan haar vader en zusje te doen. Later in de tuin gooit ze haar ellende in geuren en kleuren over de heg naar de buurjongen van 15. Bottomline; het leven is ver-schrik-ke-lijk.
“Mama ik heb zo’n buikpijn, ik voel me niet zo lekker.” We zijn onderweg van ons huisje in Frankrijk naar een nieuwe stek voor de laatste vakantieweek. We nemen willens en wetens een risico maar we hebben per ongeluk ons huisje wat onhandig verhuurd. Bij wijze experiment verkassen we een week. Drie zomers op één vaste plek geeft misschien genoeg houvast om eens af te wijken van het patroon. Ik vertel nog maar ‘s hoe het eruit ziet, dat we daar ook ‘s ochtends croissantjes halen bij het winkeltje en dat er ook een zwembad en een kidsclub is. “Maar daar gaat het niet om mama”, piept ze benauwd “ik heb gewoon buikpijn.” Ik snap dat het echt voelt, echt ís, ik krijg er zelf ook een beetje buikpijn van.
Wat nou als het ondanks de leuke website een vreselijk camping blijkt te zijn? Staat onze reservering van máánden geleden nog wel in het systeem? Heb ik het adres eigenlijk wel bij me? ‘Kom op wijffie, vertrouw nou maar op je gedegen voorbereiding. Jij gaat niet over één nacht ijs’, herpak ik mijzelf. Fijn dat ik dat kan, mezelf uit een loopje trekken. Nu mijn oudste nog.
“Ik had toch gezegd dat ik sinaasappelsap wilde.” Zucht, alweer een grauw en een snauw en we zijn pas bij het ontbijt. Al dagenlang komt er geen fatsoenlijk vriendelijk woord uit. ‘Pak het maar even, het staat in de koelkast.’ “Waarom moet ik dat doen?” donderwolkt ze terug. ‘Wil je niet zo boos tegen me doen. Als jij graag sinaasappelsap wil dan kun je dat gewoon even halen.’ Kreunend en steunend alsof haar het grootste onrecht ter wereld wordt aangedaan hijst ze zichzelf overeind en tergend langzaam overbrugt ze de zeven stappen van de tafel naar de keuken. En weer terug.
Ondertussen verdeel ik de croissants die we net bij de bakker hebben gehaald. “Dat is niet eerlijk, ik wil een andere. Ik wil díe – ”, ze wijst op het bord van haar zus “want die van mij is veel kleiner. En hij is ook stuk.” Het slaat nergens op, het puntje in het midden steekt bij haar een beetje uit en misschien is er ergens een schilfer afgevallen. Het is van de gekke dat ik ze nog sta te vergelijken ook… ‘Ze zijn allemaal even groot, het is goed zo’ zeg ik gedecideerd en ik probeer niet te hard in haar hand te knijpen als ik hem terug naar haar eigen bord leidt. “Au! Je doet me pijn!” gilt ze. Ik weet dat het niet waar is, toch schaam ik me voor de buren. Dunne muurtjes op de camping. ‘Voordat je naar de Kidsclub gaat even je haren kammen hè.’ “Jahaa, dat weet ik ook wel” zegt ze boos en haar ogen spuwen vuur. Ik verbijt mijn opgestapelde woede, nog even volhouden, ze is bijna weg. Nog even en ik kan weer ademhalen. Eigenlijk moet ik haar nu vermanend toespreken maar ik breng het niet meer op. Ik wacht wel even. Straks weer verder. “Doeg, ik ben weg. Wél thuisblijven hè. Je bent toch wel thuis als ik terugkom?” Ik heb zin om te zeggen dat ik dat nog niet weet, olie op het vuur gooien, maar ik doe het niet. De komende twee-en-half uur zijn van mij. Van mij alleen.
Daar gaat ze. Laat ‘r alsjeblieft lang wegblijven. Als ze nog één seconde langer in mijn buurt gebleven was had ik haar aangevlogen ben ik bang. Liefst gooide ik nog een steen naar haar kop maar ik hou me in. Meteen voel ik me schuldig, zo mag je niet denken over je kind. Maar ik heb zó verschrikkelijk genoeg van haar, ik ben even niet voor rede vatbaar. Mijn lijf zit helemaal op slot, met grote moeite komt er een beetje adem binnen om vervolgens niet te weten waar het naar toe moet.
Ontspannen nu, ruimte maken, laad je op want anders loop je leeg. Ik weet niet meer waar ik het vandaan moet halen. Ik zweef niet en toch voel ik de stoel niet waarin ik zit. Mijn buik is een groot betonblok, mijn keel zit dichtgeschroefd, in mijn hoofd woedt een zuidwester storm. Ik sluit mijn ogen, een diepe zucht ontsnapt, het bloed dat onder mijn nagels is opgehoopt begint langzaam weer te stromen.