In de auto terug naar huis merk ik pas hoe gespannen ik ben, en hoe moeizaam mijn ademhaling gaat. Wat is dat nu? De kinderen zijn stil, de oudste tuttelt met slaappop en de jongste is dolgelukkig met de teruggevonden pop die bij een logeerpartij bij oma was achtergebleven. Tijd om even terug te kijken op dit bezoekje aan mijn moeder. Ik ben er weer ingetuind geloof ik. Als vrouw van veertig – kunnende zelfstandig leven – val ik in mijn ouderlijk huis terug in oude patronen. Zij blijft mijn moeder, ik haar dochter maar waarom hoort daar zoveel oud zeer bij?
Hoezeer ik ook vecht, ik kom er niet van los. Of beter, het wordt maar geen automatisme. Alleen met heel veel kracht en zelfbewustzijn, lukt het om een gepaste afstand te bewaren die het mij mogelijk maakt bij mezelf te blijven. Ik weet het, er zijn dochters die zeggen ‘liever ruzie, dan een dode moeder’. Wat ik mij afvraag is of dat nou later ook zo gaat mijn dochters? Mijn moeder heeft op haar manier haar best gedaan, gedaan wat in haar vermogen lag. Precies zoals ik nu doe, denk ik. Herhaalt de geschiedenis zich altijd? Kunnen wij moeders en dochters niet leren van onze eigen ervaringen, van alle boeken en films die al gemaakt zijn over moeders en dochters die niet voldoen aan de Era-reclame. Of is het een noodzakelijk kwaad? Maar waartoe dan? Op sommige dagen zakt de moed me in de schoenen.
“Mam, mag ik een huisdier?” vraagt de jongste terwijl ze het hondje van de buren aait. ‘Als je zes bent’ zeg ik op de automatische piloot. En dan schiet door me heen dat ze over drie maanden al jarig is, en dan wordt ze zes. Slik. Tot nu toe had ik het probleem huisdier voor me uit kunnen schuiven maar nu komt het plots akelig dichtbij. Ik bedoel, ik ben zelf geen held met beesten maar mijn oudste is panisch voor alles dat vanzelf beweegt en waar geen batterij in zit. De grootste wens van mijn jongste daarentegen is boerin worden, met heel veel dieren. (En ze vroeg laatst “kan je dan ook nog moeder worden?” want ze wil er ook nog heel veel kinderen bij.)
Ze is gek op honden, klein én groot, neemt elke slak die ze onderweg tegenkomt mee naar huis, knuffelt de poezen van haar vriendinnen halfdood en ze spaart al maanden voor een konijn. “Want” zo zegt ze “die kan in een hok en dan is mijn zus er misschien niet zo bang voor.” Ze is zo’n schat en ze doet zo haar best om in te schikken maar mijn moederhart breekt op zo’n moment want waarom moet zij met haar grote dierenliefde nou weer het onderspit delven voor de angsten van haar zus? Haar grootste wens is een hond, maar dat zou voor mijn oudste echt een ramp zijn. Al ziet ze de drie kleine Jack Russels van de buren dagelijks, nóg springt ze me in de armen zodra er zo’n beestje is losgebroken en op drie meter afstand voorbij rent. Een poes dan? Maar dat zijn van die eigengereide beesten waar je niet van op aan kan, die komen je soms zomaar kopjes geven en springen het liefst op de meest onwillige schoten, ik vrees dat ik mijn meisjelief daar geen plezier mee doe. Om het eufemistisch uit te drukken.
Ons zonnetje wil een knuffelbeest, een aaibeest, een beest met een ziel om mee te troetelen. Muizen en cavia’s zijn ook geen optie, die wandelen het liefst onder t-shirts en truien en ontsnappen nog wel ’s uit hun kooi, dat gaat niet. Een vogeltje in een kooitje lijkt aaibaarder dan een goudvis maar nee, dat lijkt me ook niks. Heeft de jongste gelijk met haar konijn, zou dat het moeten worden? Überhaupt het idee van een dier in huis, het is mijn oudste een gruwel. Ik kom er niet uit, ze zeggen dat je angsten kunt overwinnen door ermee geconfronteerd te worden maar al mijn bezoeken aan de kinderboerderij, de dierentuin en de buren ten spijt, ik zie geen enkele verbetering bij dat bijzondere meisje van ons.
Een goudvis zou een optie zijn, die komt niet uit zijn kom, die hoef je niet te aan te raken en het voer tik je droog uit het doosje in het water. Een goudvis voor mijn jongste, dat is kindermishandeling, maar voor de oudste misschien een opstap om te wennen aan een nieuwe huisgenoot?
We hebben een huisje gekocht in Frankrijk. Nou ja, een huisje, een houten chalet op een kasteelcamping. We hopen dat het de goede mix gaat worden van vertrouwd, afwisseling en avontuur en dat de vakanties daarmee minder moeizaam verlopen. Het is alleen wel een dikke dag rijden omdat ik graag een plek wil met een redelijke zonnekans. Dat hebben we nog nooit gedaan met de kinderen. Ik laat foto’s zien van het huisje, we bekijken samen de website van de camping en ik vertel dat we echt een hele dag in de auto gaan zitten. De héle dag. En dat we 3 keer stoppen, twee keer kort en één keer lang, om te rennen en lekkere broodjes te eten en gymnastiekoefeningen te doen. Grote gretige ogen kijken me aan en ik zie dat ze het een spannend maar ook overzichtelijk avontuur vindt. Want de auto, die kent ze en de begrenzing die daarmee samenhangt ervaart ze als prettig. Mijn meisjelief weet zichzelf heel moeilijk te vermaken behalve in de auto, en in bad. Dat houdt ze urenlang vol. “Mag slaappop ook mee?” ‘Natuurlijk mag die mee’ en dan is het goed. Want waar slaappop is daar is het goed.
Middagspits op de peripherique van Parijs. De zon brandt op de auto, we gaan stapvoets voorwaarts met de ramen wagenwijd open. Het gaat goed, de stemming is up en als we voorbij Parijs zijn gaan we de beloofde lange stop maken. ‘Kijk dáár, de Eiffeltoren!’ maar omdat ze niet weten hoe die eruit ziet missen ze ‘m. Geeft niks, we gaan hier nog vaker langskomen. Ik krijg er vertrouwen in, ik word allengs rustiger en met twee vingers aan het stuur manouvreer ik ons door het verkeer. Dan opeens een ijselijke kreet “Maaaam”, ik schrik maar roep mezelf meteen tot de orde, er kán niets ernstigs aan de hand zijn want we zitten gewoon met zijn allen in de auto en kunnen nergens heen. “Mama, mama, slaappop!!!” ‘Wat is er liefie, is slaappop gevallen, pak ‘m maar gewoon van de grond’ “Neeee, hij ligt buiten!!!” ‘Buiten?’ , denk ik nog, ‘dat kan niet, we zijn binnen.’ “Hij is uit het raam gevallen” en haar gesnik gaat over in gierende uithalen die door merg en been gaan.
Dit vraagt om onmiddellijke actie, want, tik-tak-tik doen de hersenen, want vakantie zonder slaapop dat wordt een drama. Even flitst er door me heen dat het misschien een uitgelezen moment is om haar van haar verslaving aan dat vod af te helpen maar meteen zie ik de inspanning die dat voor ons gaat betekenen, een vakantie in het water en een nieuwe plek die geassioceerd gaat worden met ellende terwijl we ons daar voor langere tijd mee willen verbinden. Dus *BOEM* ik trap op de rem en zet de auto op de vluchtstrook. Ik ben blij dat er file is, dat geeft me een kleine kans op succes. Ik ren terug, speurend naar een rood mutsje op zwart asfalt. Verbaasde blikken van fransozen negerend. Dáár! Hij ligt op de stippelstrook tussen de eerste en tweede rijbaan. Als ik de eerste rij tot stoppen weet te dwingen zou ik erbij kunnen. Met mijn allervriendelijkste dwingende glimlach kijk ik de bestuurders aan en steek als een volleerd verkeersagent mijn hand omhoog. Full stop, gelukt! Ik gris het stukgeknuffelde lappenpopje van de weg, dank de automobilist met een gracieuze buiging en sprint terug. Ik ben voor eeuwig de held van mijn dochter.
“Laat u het eerst eens rustig bezinken” zegt de psychiater “en lees links en rechts wat informatie. Dan kunt u kijken of u zich kunt vinden in mijn verhaal.” Thuis google ik eerst autisme en beland op de website van Nederlandse Vereniging voor Autisme. Ik voel me er niet thuis, ik zoek en zoek en vind er niets van mijn gading. De andere googleresultaten geven wel definities maar het is niet wat ik zoek, al weet ik ook niet wat ik zoek. Wat zei de psychiater nog meer, iets met autistiform. Maar dat blijkt een dermate grote vergaarbak dat ik er ook niet wijzer van word.
Wat als ik asperger intik? Wikipedia geeft me houvast met een helder verhaal, dit voelt als een ingang. Dan ontdek ik Autsider en er gaat een wereld voor me open! Als een spons zuig ik de informatie op die op deze website in een soort documentatiecentrum is ondergebracht. En wanneer ik het forum ontdek biggelen de tranen me over de wangen, dit is het dus. Dit roept zo ontzettend veel herkenning op. Beetje bij beetje ontdek ik hoe wij intuïtief het leven van onze dochter al volgens de richtlijnen indelen. Hoezeer we ons hebben aangepast. En dat doet pijn, het schuurt en het schrijnt en mijn getormenteerde hart gaat als een gedraaide arm door een stroeve wringer.
Tegelijkertijd – en dat is verwarrend – ontstaat er ruimte in het lijf, valt er een last van mijn schouders. Want ik hoef dus niet alsmaar te proberen of we die structuur kunnen loslaten, het is juist goed voor mijn kind. En de meeste Aspergers zijn gezegend met een gezond verstand waardoor ze in staat zijn om veel dingen die ze niet aanvoelen van ‘buitenaf’ te leren. “Dat is toch een soort luxe-autisme dan? Of, nou ja, zo mag je dat natuurlijk niet zeggen want het is wel een pittige aandoening”, glibber ik weer weg. “Maar de perspectieven zijn best goed!”, roept mijn optimistische ik. En ik hoef dus niet meer te twijfelen of ik wel geschikt ben voor het ouderschap want we doen het hartstikke goed maar we hebben er wel een flinke kluif aan. Na uren surfen langs héél veel pagina’s met goede bedoelingen en meer en minder nuttige informatie rol ik murw mijn bedje in. Het werd een onrustige nacht.
“Zo lieve meid, even de deken lekker strak om je heen en dan slapen, morgen weer een nieuwe dag.” ‘Mam doe je nog even de vragen?’ “De vragen?”, ik ben even kwijt wat ze daarmee kan bedoelen. ‘Nou van het leukst en het stomst en zo.’ Oh ja, die vragen! Dat hebben we al een tijdje niet meer gedaan voor het slapen gaan. Ontstaan toen ze als driejarige uk nooit een snipper losliet van haar belevenissen op de peuterspeelzaal en het bleek een goede ingang om de dag door te nemen. Ik gebruik ze nog regelmatig als ze uit school komt om een gesprek op gang te krijgen.
“Waar moest je om lachen vandaag?” ‘Nee-hee, ik bedoel van het leukst en het stomst.’ “Jaja, die komen misschien ook aan de beurt, eerst wat andere vragen.” ‘Dat wil ik niet, ik wil alleen het leukst en het stomst.’ Blijkbaar moet haar iets van het hart en heeft ze die vragen erbij nodig, wel mooi dat ze dat weet. Ik pas me aan en begin het klassieke rijtje. “Wat was er vandaag het leukste?”, “wat was er het stomst?”, “met wie heb je buiten gespeeld op school?”, “ben vandaag nog ergens van geschrokken?”, “wat ging goed vandaag?”, “wat was het gekste dat er gebeurde?” en stiekem eindig ik toch met “waar moest je vandaag het hardst van lachen?”
Maandag
‘Gecondoleerd met het verlies van jullie broer en zwager’ zegt de juf. ‘Jullie dochter is er erg van ontdaan. Was het erg plotseling dat hij stierf?’ Ik ben stomheid geslagen, mijn zwager dood, ‘wanneer dan?’ schiet er even door mijn hoofd. Dan komt de aap uit de mouw, meisjelief had zich op het schoolplein afzijdig gehouden en een bedrukte indruk gemaakt. Toen juf vroeg wat er aan de hand was heeft ze in alle ernst verteld dat haar oom is gestorven en dat ze daar veel aan moet denken. Ik stel juf gerust, het is niet waar maar we zijn allebei wel even van ons stuk.
Dinsdagavond
Morgen hebben we het 10-minuten-gesprek met juf, waarvoor bij ons een uur uitgetrokken wordt. Ik heb het expres bij het avondeten laten vallen omdat ik benieuwd ben of dochterlief naar aanleiding van het akkefietje gister nog behoefte heeft iets recht te zetten. Met het naar bed brengen begint ze inderdaad over de juf en over school en na wat omtrekkende bewegingen barst ze plots in snikken uit. ‘Ik ben het stoutste kind van de klas. Nou ja, van de meisjes dan. Iedere keer staat mijn naam op het bord, soms zelfs met streepjes erachter, en ik wíl dat niet. Ik doe zo mijn best maar het lukt gewoon niet. Dat komt ook omdat ik me zo verveel met rekenen. Dan moeten we een som doen en dan ben ik hoep-hoep klaar, dan kijk ik rond en is iedereen nog bezig. Nou dan ga ik het nog maar een keer overdoen en dan ga ik juist fouten maken of dan krijg ik op mijn kop omdat de lijntjes te dik zijn omdat ik ze heb overgetrokken.’ Dat is iets heel anders dan ik verwachtte.
Woensdag
Juf kijkt me met grote ogen aan terwijl ik mijn relaas doe en zegt ‘Ik herken hélémáál niets van dit verhaal’. En ik geloof haar.
Donderdag
Tring, oma aan de telefoon. ‘Ik bel even om te horen hoe het mijn kleindochter is want ik maak me toch een beetje zorgen.’ Nou ja, dat kan, ik informeer even wáár precies de bezorgdheid over gaat. ‘Ze vertelde dat ze op school tussen twee jongens geplaatst is die nogal vervelend zijn. Ze heeft het al een paar keer tegen de juf gezegd maar pas na de vakantie zou er gewisseld worden. Ik hoop zo voor haar dat ze nu een fijn plekje heeft.’ Huh? Ze zit sinds de kerstvakantie naast zo’n beetje de aardigste jongen van de klas, nog hartstikke slim ook. Ik geef mijn dochter de telefoon en zeg niks. Ze loopt er meteen mee naar de gang en als ze even later terugkomt drukt ze het ding met tegenzin in mijn hand. Oma nog steeds. ‘Nou, ze zegt dat één van de jongetjes nu vervangen is door een vriendin. Geloof jij dat dan niet? Denk je echt dat ze maar wat zegt?’
We zijn gewend haar verhalen met een pak zout te nemen en altijd goed door te vragen om erachter te komen wat waar is en wat niet. Maar zo bont heeft het nog niet gemaakt. Drie keer in één week volwassenen – die al alert zijn – om de tuin geleid. De moed zakt me in de schoenen. Waar gaat dit over? Zijn het zorgen die in haar hoofd een eigen leven gaan leiden? Behoefte aan aandacht? Ze zeggen dat aspergers niet kunnen liegen, dan heeft mijn dochter denk ik alsnog geen asperger. Potdikke, ik laat me toch niet in de luren leggen door een zevenjarige aap. Hoogste tijd voor een goed gesprek.