Dinsdagmiddag, 14.50u
Trring, mijn mobiel, de oudste belt. Ze fietst van school terug naar huis maar het kan blijkbaar niet wachten. ‘Mama, ik moet je even bellen want het was zo ontzettend niet leuk op school.’ Het gehijg van het fietsen maakt haar gesnik amechtig, fietste ik er maar naast. Dan kon ik even een hand in haar nek leggen (nooit op de rug), zogenaamd om te duwen maar stiekem ook om een beetje te troosten. ‘Hee meis wat jammer, wat is er gebeurd?’ ‘Nou, iedereen deed lelijk tegen me en ook al zei ik sorry, ze gingen toch alsmaar door. Ik snapte helemaal niet wat er was, maar ik zei wel sorry, waarom stopten ze dan niet? En ik had afgesproken met Iris maar die wil nou niet meer, dan heb ik vanmiddag niks te doen en ik had me er zo op verheugd, nou weet ik niet wat ik moet doen, weet jij wat ik kan gaan doen?’ Ik weet dat alles wat ik nu zeg toch wordt afgekeurd dus ik gooi het over een andere boeg en zeg: ‘Kom eerst maar rustig naar huis, dan gaan we samen iets drinken en praten dan verder.’ ‘Dat is goed, doedoei mama, ik hou van je!’ Hyves-taal, ik weet het en toch doet het me goed.
Zelfde dinsdagmiddag, 15.30
‘Doeg, ik ga naar Elsa, ik ben om half zes thuis’ Zoef, ze staat al bij de deur, ik kan haar nog nét in de kraag grijpen. ‘Hola jongedame, ik had nog niet gezegd dat het goed was. Wie is trouwens Elsa?’ ‘Hahaha,’ lacht ze vrolijk ‘dat is een hele goede vriendin van mij en ik ben zo blij dat we nu eindelijk een keer kunnen afspreken. Ze kan bijna nooit als ik kan, maar haar tennis viel uit of zoiets dus nu lukt het.’ Wat heerlijk dat ze zo snel is opgefleurd, mooi voorbeeld van hoe snelle stemmingswisselingen ook in je voordeel kunnen uitpakken, denk ik als ik naar haar stralende smoeltje kijk. Ondertussen graaf ik in mijn geheugen naar een Elsa, maar er komt geen beeld, volgens mij is het niet iemand van school en ook niet van dansen, dus ik vraag nog even door. ‘En waar woont ze?’ Ik voel me alsof ik de ‘wat doet haar vader’-ondervraging doe, toch lijkt het me legitiem om van een 11-jarige te weten waar en met wie ze uithangt. ‘O, dat weet ik niet en zij weet ook niet waar ik woon dus we hebben afgesproken bij de supermarkt want die wisten we allebei wel.’ Okeee, slim bedacht samen, dat moet gezegd. Maar dat ‘hele goede vriendin’ moet ik toch met een korreltje zout nemen geloof ik. ‘Als jullie niet van elkaar weten waar je woont, dan ken je elkaar blijkbaar toch nog niet zo héél goed. Waar kennen jullie elkaar van en wat ga je samen doen zometeen?’ ‘Maham, toe nou, ik moet gaan, want anders ben ik te laat en staat ze op me te wachten.’ Ze staat op hete kolen, het is haar aan te zien, alles in haar wil weg want afspraak is afspraak ook al was ze even ‘vergeten’ dat met mij af te stemmen. ‘Ik snap dat je graag op tijd wil komen, maar ik vind het belangrijk om te weten met wie je op stap en bent en hoe ik je kan bereiken. (ze rolt met haar ogen, domme opmerking, ze heeft toch een mobieltje, dûh)’ ‘Nou gewoon, ik ken Elsa al heel lang, ze zit bij Rosemarie in de klas (oh ja, die is van dansen en daarmee heeft ze vorige week voor het eerst afgesproken) en ze is superaardig en nu moet ik gaan want anders ben ik te laat. Doeoeoeg, half zes thuis, goed?’
Ik ga overstag.